|
|
| |
|
| Nieuws
voor Vrienden van Kust&Zee |
|
|
 |
Europese paling mag niet uitsterven
|
| Europese vissers en natuurorganisaties
moeten samen voorkomen dat de Europese paling uitsterft. Net als
Nederlandse vissers vreest ook de EECONET Alliantie, een samenwerkingsverband
van Europese natuurorganisaties, voor het voortbestaan van de
soort, die alleen in Europa voorkomt. De EECONET Alliantie steunt
daarom de samenwerking die in het Nederlands Aalcomité
is ontstaan tussen sport- en beroepsvissers, onderzoekers en natuurorganisaties.
De Kustvereniging (EUCC) neemt mede namens de Alliantie deel aan
het Aalcomité.
Het comité, dat op 4 april van start is gegaan, wil haar
eigen verantwoordelijkheid nemen en de regie van het Nederlandse
aalbeleid op zich nemen. Voorzitter van het comité is de
Europarlementariër Albert-Jan Maat. Het doel van het Aalcomité
is om in het komende half jaar een Nederlands beheersplan voor
de paling op te stellen.
Ambassadeur van de Europese natuur
De Europese paling of Aal staat zwaar onder druk. Uit onderzoek
blijkt dat de aalstand de laatste jaren drastisch afneemt. De
meest recente evaluatie van de Europese aalstand laat zien dat
de aalstand zich niet langer binnen de veilige biologische grenzen
bevindt en dat drastische maatregelen, zowel op Europees als nationaal
niveau, nodig zijn om de aal voor uitsterven te behoeden. Opstelling
van een internationaal herstelplan wordt vanuit wetenschappelijk
oogpunt aanbevolen. Zolang dat plan nog niet volledig ingevoerd
is, is voorgesteld maatregelen te nemen om de negatieve effecten
van de visserij en de overige factoren (aalscholvers, migratiebarrières,
habitatverlies, waterkrachtopwekking) tot het laagst mogelijke
niveau te beperken. Het Nederlandse voorzitterschap van de EU
heeft het aalprobleem internationaal veel hoger op de agenda gezet,
waardoor op dat niveau nu snel voortgang verwacht wordt.
De EECONET Alliantie heeft de Aal uitgeroepen tot Ambassadeur
van de Europese natuur. De dieren leggen tijdens hun leven vele
duizenden kilometers in zee af, voordat ze in de kust- en binnenwateren
komen en vervolgens weer de zee opgaan voor hun voortplanting.
Die levensloop laat de verbondenheid zien tussen de Europese natuurgebieden,
zowel te land als op zee. Deze verbondenheid staat centraal in
het Europees ecologisch netwerk van gebieden (EECONET).
Nederlands noodplan
Het Nederlandse Aalcomité gaat met spoed een plan van aanpak
opstellen voor een Nederlands Beheerplan Aal, welk voldoet aan
internationale verplichtingen voortvloeiende uit ondermeer het
Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid en de Europese Kaderrichtlijn
Water. Het op te stellen beheerplan omvat een visserijplan van
de gehele binnenvisserijsector. Tevens worden er voorstellen gedaan
voor de benodigde Nederlandse vangstregistratie, monitoring, handhavingaspecten,
onderzoek ten aanzien van migratieknelpunten (waaronder waterkrachtcentrales),
habitatverlies en sociaal-economische aspecten. Tenslotte wil
het comité een politiek en maatschappelijk draagvlak creëren
voor de opstelling en invoering van een Aal-herstelplan.
Het Aalcomité vraagt de Nederlandse overheid, als voorzitter
van Europese Visserijraad tot 1 juli 2005, zich politiek in te
zetten om andere Europese lidstaten ertoe te bewegen ook voortvarend
aan de slag te gaan met de opstelling van hun eigen nationale
beheerplannen, en de Europese Commissie ertoe te bewegen de internationale
coördinatie nu zo spoedig mogelijk vorm te geven.
De Kustvereniging heeft een palingdossier op internet geplaatst
in www.kustgids.nl/dossier-paling,
algemene informatie over de paling is te vinden op www.kustgids.nl/paling
Voor nadere informatie: Marijke Kooijman, Kustvereniging, tel.
071 5122900 |
|
|
 |
Bijvangst
van bruinvissen |
Bijvangst blijkt de grootste
bedreiging te zijn voor bruinvissen
in de Nederlandse wateren. De bruinvis is een kleine dolfijnensoort
die ongeveer anderhalve meter groot wordt. In het verleden was
de bruinvis redelijk algemeen voor de Nederlandse kust. Onderzoek
door Naturalis aan vers aangespoelde bruinvissen in de periode
1990-2000 toont aan dat voor tenminste de helft van deze dieren
bijvangst de doodsoorzaak is. De vraag is nu door welke typen
visserij de bijvangst veroorzaakt wordt en wat hier aan gedaan
kan worden. Nynke Osinga, verbonden aan het Centrum voor Milieuwetenschappen
Leiden (CML), heeft hier onderzoek naar gedaan. In haar scriptie
schrijft zij dat uit Denemarken, Duitsland en Engeland bekend
is dat met name door staandwantvisserij bruinvissen de dood vinden.
Staandwantvisserij is een passieve vorm van visserij
met behulp van staande netten. Nederlandse vissers passen deze
techniek weliswaar ook toe, maar de bijvangst lijkt hier niet
zo groot te zijn. De Nederlandse staandwantvisserij gebruikt netten
met kleinere mazen, waardoor de kans kleiner is dat bruinvissen
erin verstrikt raken. Daarnaast liggen de netten die gebruikt
worden voor het bevissen van tong vaak plat op de bodem. Vissers
die deze vorm van visserij toepassen zeggen zelf nooit bruinvissen
te vangen. Naast staandwantvisserij wordt in de Nederlandse sector
gevist met behulp van sleepnetten (trawlvisserij) in de waterkolom
(pelagische trawlvisserij) of over de bodem (boomkorvisserij).
Bij pelagische trawlvisserij worden veel grotere (zwevende) netten
gebruikt (60 tot 120 meter) dan bij boomkorvisserij. Bovendien
worden de netten bij pelagische visserij met grotere snelheid
door het water gehaald en wordt gevist op prooisoorten van de
bruinvis. Dit zijn factoren die de bijvangst van bruinvissen verhogen.
Pelagische trawlers vissen echter voornamelijk in buitenlandse
wateren. De vraag is dan ook of zij wel verantwoordelijk zijn
voor het Nederlandse bijvangstprobleem. Over de oorzaak van bijvangst
van bruinvissen door visserij in Nederland kunnen nog geen conclusies
getrokken worden. Tot die tijd is het dan ook moeilijk om efficiënte
maatregelen te treffen om bijvangst te voorkomen.
In haar rapport pleit Osinga voor een verplichte
melding van bijvangst door vissers, interviews met vissers en
monitoring op schepen waarvan een hoge bijvangst kan worden verwacht.
Deze maatregelen zouden er toe bijdragen om het bijvangstprobleem
in Nederland goed in kaart te brengen, waarna verdere maatregelen
kunnen volgen.
Meer informatie: Centrum voor Milieukunde Leiden, n.osinga |
|
|
 |
Walvissen herkennen met “Europhlukes” |
Wereldwijd worden Walvisachtigen (walvissen,
dolfijnen en bruinvissen)-populaties ernstig bedreigd. Om deze
populaties te kunnen beschermen, is kennis over de aantallen dieren,
hun leefomgeving en hun migratiepatronen nodig. Het Europhlukes
project, dat in 2001 werd opgezet met financiële steun van de
Europese gemeenschap, wil deze kennis verkrijgen door het gebruik
van foto-identificatie. Foto-identificatie is een van de minst
ingrijpende manieren om kennis te verkrijgen over grote zeezoogdieren.
Europhlukes, dat in oktober 2004 is afgerond, heeft een foto-identificatie
systeem en database ontwikkeld voor Europese Walvisachtigen, waarin
aan de hand van visuele kenmerken, zoals de staartrand en kleurpatronen,
gevonden kan worden waar en wanneer een individuele walvis eerder
gefotografeerd is. De Europhlukes database vormt een zo infrastructuur,
die gebruikt kan worden bij het monitoren en onderzoeken van Cetacea
en hun leefgebieden.
Informatie: www.europhlukes.net
|
|
|
 |
Rare visvondsten
op de Nederlandse kust |
In het begin van dit
jaar zijn er al elf jonge maanvissen aangespoeld op de Belgische
en Nederlandse kust. Alhoewel er volgens Naturalis nog geen waterdichte
verklaring is voor het hoge aantal strandingen kan de warme winter
van afgelopen winter er toe hebben geleid dat jonge maanvissen
zich noordelijk hebben begeven dan normaal. Hevige stormen zouden
de oorzaak van de strandingen kunnen zijn. De grootste maanvis
had een afmeting van 110 bij 130 cm en de kleinst aangetroffen
maanvis had een afmeting van 40 bij 58 cm. Voor meer informatie:
www.natuurinformatie.nl.
Een andere zeldzame vondst betreft de zeldzame reuzenhaai die
op 11 december vorig jaar bij Petten aanspoelde. Het ging hierbij
om een vrouwtje van een gewicht van ongeveer 250 kilo. De reuzenhaai
maakt tegenwoordig deel uit van de vaste collectie van Fort Kijkduin
waar het dier tentoongesteld is tezamen met materiaal dat het
Fort in bruikleen heeft van Naturalis. Ondanks hun afschrikwekkende
grootte zijn reuzenhaaien totaal ongevaarlijk. Hun dieet bestaat
uit plankton dat ze uit het zeewater zuiveren door water langs
hun kieuwspleten te filteren. Voor meer informatie: www.fortkijkduin.nl
|
|
|
 |
Blaasjeskrab
rukt op |
De Blaasjeskrab (Emigrapsus
sanguineus) wordt steeds algemener langs de Nederlandse kust.
Het krabbetje werd voor het eerst in Nederland waargenomen in
2000. Daarna is het dier een tijd lang niet gezien, maar in 2003
en 2004 zijn verschillende populaties gevonden in de westelijke
Oosterschelde, bij Hoek van Holland en Texel. De Blaasjeskrab
is oorspronkelijk afkomstig uit Azië. De krab heeft een vierkant
rugschild met een (vrijwel) rechte voorrand en drie tanden aan
de zijkant. Op de scharen van het mannetje bevindt zich een bolle,
lederachtige blaas aan de basis van de beweegbare vinger. Het
rugschild heeft een symmetrisch patroon van bruinrode tot zwarte
spikkels op een lichte, gelige achtergrond. De blaasjeskrab leeft
vooral hoog in de getijdenzone en is dus ook goed waar te nemen
door bij laag water stenen om te keren. www.krabben.net
|
|
|
 |
Tweede Maasvlakte blokkade voor slib
en larven |
Het kabinet moet het
plan voor een Tweede Maasvlakte bij Rotterdam grotendeels herzien.
De Raad van State heeft dat op 26 januari beslist. In het besluit
van het kabinet is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen
voor de natuur. Deze uitspraak is opmerkelijk, omdat jarenlang
met natuurorganisaties is onderhandeld over natuurcompensaties.
Toch waren onder meer Shell Nederland Raffinaderij,
de Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (WLTO), de Nederlandse
Vissersbond, de Stichting Natuur en Milieuwacht en de Vereniging
voor Natuur en Milieubescherming Noordrand Rotterdam het niet
eens met de plannen van het kabinet en hebben de zaak aangespannen.
Uit de MER voor de Tweede Maasvlakte volgt dat de kustzone een
belangrijke rol speelt in de migratie van eieren en vislarven
van paaigebieden naar opgroeigebieden. Veel soorten paaien op
open zee, terwijl de opgroeigebieden in de kustzone en estuaria
(met name de Waddenzee) liggen.
De aanleg van een Tweede Maasvlakte betekent een
blokkade in de transportzone langs de kust. Ten noorden van de
Tweede Maasvlakte wordt de transportzone hierdoor naar verwachting
verbreed. Het effect van een verbreding van de transportzone op
het transport van eieren en larven is volgens het MER nog onvoldoende
onduidelijk. Het kabinet heeft het echter niet aannemelijk gevonden
dat vervolgonderzoek naar de gevolgen van verminderde slib- en
vislarventoevoer voor de Waddenzee meer duidelijkheid zou kunnen
geven. Dit is in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.
De Zuid-Hollandse Milieufederatie ontkent dit echter. Zij vindt
dat de gevolgen voor de Waddenzee zo goed mogelijk zijn onderzocht.
'Kennelijk is dat niet genoeg opgeschreven of aangedragen richting
de Raad', aldus een woordvoerder. Minister Peijs (Verkeer en Waterstaat)
en minister Dekker (VROM) zullen de beslissing van de Raad ter
harte nemen, maar verwachten niet dat de uitbreiding van de Rotterdamse
haven weer jaren wordt vertraagd.
|
|
|
|