| |
|
| Nieuws
voor Vrienden van Kust&Zee |
|
|
 |
Bruinvissen sterven door visnetten |
Het merendeel van de bruinvissen
die in 2006 aanspoelden op de Nederlands stranden is door verdrinking
in visnetten om het leven gekomen. Een ander deel van de bruinvissen
bleek vooral niet gezond te zijn. Dit zijn de belangrijkste conclusies
uit onderzoek naar de oorzaak van het sterk gestegen aantal dood
aangespoelde bruinvissen. De sterke toename van het aantal dood
aangespoelde dieren is reden geweest voor minister Veerman van
LNV om onderzoek te laten verrichten naar de oorzaken. Het onderzoek
is uitgevoerd door IMARES in samenwerking met het NIOZ. Dode bruinvissen
worden in alle maanden van het jaar gevonden. Er waren echter
twee perioden met bijzonder grote aantallen te onderscheiden.
Een eerste golf van strandingen vond plaats in maart en april.
Dit waren vooral gezonde, verse dode dieren met volle magen. Deze
groep had als belangrijkste doodsoorzaak verdrinking in visnetten.
Een tweede golf vond plaats in augustus. Dit waren vooral ongezonde
dieren, met geringe vetreserves en vaak lege magen. Verdrinking
als doodsoorzaak kwam bij deze dieren vrijwel niet voor. |
|
|
 |
Sonar schrikt bruinvis af |
Veerman heeft in verband met de bruinvisstrandingen
een eerste maatregel aangekondigd. De minister wil laten onderzoeken
of staande vissersnetten voor de kust kunnen worden uitgerust
met apparatuur om bruinvissen af te schrikken. Dat zei hij op
14 december na vragen van Kamerlid Thieme van de Partij voor de
Dieren. Zij vroeg Veerman wat hij gaat doen met het bovengenoemde
onderzoek, waaruit blijkt dat 53 tot 70 procent van de bruinvissen
die dood aanspoelen in visnetten terecht is gekomen. De minister
gaf aan dat in de Oostzee is geëxperimenteerd met sonargeluiden
die vissen weghouden van netten die voor de kust zijn uitgezet.
Uit het onderzoek blijkt dat bruinvissen minder vaak verstrikt
raken in de netten van vissersschepen, omdat ze die horen aankomen.
In 2006 zijn in Zeeland alleen al 108 dode bruinvissen aangespoeld.
|
|
|
 |
Meer bruinvissen door meer haring? |
Waarom er de laatste jaren zoveel
bruinvissen langs de kusten worden aangetroffen is onderzocht
door Colinda Vergeer. Aan de Universiteit Leiden (CML, Biology
& Communication) deed ze onderzoek naar de toegenomen bruinvissenstand.
Zij vermoedt dat dit in direct verband staat met de toename van
de haringpopulatie de laatste jaren. Ze ziet de ontwikkelingen
in een positief licht: ‘Het zijn toppredatoren, dus als
je bruinvissen ziet, is dat een teken dat het goed gaat met je
ecosysteem.’ ‘Van 1940 tot 1980 zijn de bruinvissen
weggegaan, vermoedelijk als gevolg van vervuiling en overbevissing
op haring’, vertelt Vergeer. Het lijkt erop dat de dieren
toen naar noordelijker wateren verhuisden. Inmiddels zijn ze terug,
volgens Vergeer omdat ze de haring achterna zijn gezwommen.
Bruinvissen zouden namelijk dol zijn op haring, een vette vissoort.
Vette vis bevat meer energie, geen overbodige luxe voor een warmbloedig
dier dat zijn hele leven lang in de koude Noordzee zwemt. En er
zit er weer haring in de Noordzee. Sinds het dieptepunt eind jaren
zeventig is de biomassa met bijna een factor twintig toegenomen.
Er zijn niet alleen meer haringen, ze zijn ook vetter. En volgens
Vergeer krijgen we daar dus gratis allemaal bruinvissen bij: tussen
de hoeveelheid haring in de Noordzee en de hoeveelheid bruinvissen
vond zij een sterk verband. Daarbij merkte ze op ‘dat haring
en bruinvis beiden vooral in de eerste maanden van het jaar langs
onze kust worden gespot, met een piek in februari en maart.’
De bruinvis zwemt naar de haring toe, denkt Vergeer.
Probleem is: ze kan niet bewijzen dat die bruinvissen de haring
opeten. Onderzoeken naar de maaginhoud van de dieren liet zien
dat ze vooral wijting eten. Dat is niet zo raar, want die onderzoeken
zijn gedaan in de jaren tachtig, toen er amper haring was. Omdat
de bruinvis een beschermde diersoort is, mag een bioloog niet
met een harpoengeweer op pad om een paar beesten omhoog te halen
voor onderzoek. De dieren die aanspoelen, zijn bijna altijd jonkies,
en die hebben een ander dieet dan volwassen bruinvissen. Bovendien
is het niet zo makkelijk om in de stinkende brij in een opengezaagde
bruinvisbuik een halfverteerde haring te herkennen. Ondanks die
bezwaren is in lopend onderzoek naar bruinvismagen wel weer haring
aangetroffen. Vergeer kijkt halsreikend uit naar de publicaties
daarover, omdat die haar hypothese zouden kunnen ondersteunen.
Helaas worden de vooruitzichten voor de haring voor het komende
seizoen een stuk minder rooskleurig ingeschat. |
|
|
 |
Chinese vlagdolfijn bestaat niet meer |
| De Chinese vlagdolfijn is waarschijnlijk
uitgestorven. Een internationale expeditie die de rivier de Yangtze
zes weken nauwgezet heeft afgezocht heeft geen enkele vlagdolfijn
meer gezien. Tien jaar geleden werd de populatie nog op circa 30
individuen geschat. Als de afwezigheid wordt bevestigd moet voor
het eerst in vijftig jaar weer een groot zoogdier uitgestorven worden
verklaard. In de jaren vijftig verdween de Caribische monniksrob.
De Chinese vlagdolfijn (Lipotes vexillifier) of ‘baiji’
was ongeveer tweeënhalve meter lang en leefde uitsluitend in
de Yangtze. |
|
|
 |
Walvisachtigen hebben ‘menselijke’
hersencellen |
| Grotere walvisachtigen hebben hersencellen
die tot nu toe uniek waren voor mensen en mensapen. Het gaat om
‘spoelcellen’ die vermoedelijk een rol spelen bij sociale
interactie en het verwerken van emoties. Hersenonderzoekers vonden
die in het brein van een Bultrugwalvis, een vinvis, een Potvis en
een Orka. Ze publiceerden hun bevindingen op 27 november 2006 in
The Anatomical Record. De onderzoekers konden de cellen niet vinden
bij kleinere walvissoorten. Spoelcellen zijn tot nu toe alleen bij
mensen gevonden én bij mensapen: gorilla’s, chimpansees,
bonobo’s en orang-oetans, de evolutionair meest naaste verwanten
van de mens. De precieze functie van deze cellen is nog onduidelijk.
Ze zijn bij mensen uitsluitend te vinden in twee hersengebieden
die belangrijk zijn voor sociale emotie en empathie. |
|
|
 |
Tentoonstelling 'Spoken in zee' in EcoMare |
Vanaf nu kunnen bezoekers van EcoMare
griezelen bij afschrikwekkende zeemonsters. 'Spoken in zee' heet
de nieuwe tentoonstelling. In de tentoonstelling komen echte én
vermeende zeemonsters tot leven. ‘Spoken in zee’ blijft
minimaal tot na de herfstvakantie van 2007 te bezichtigen. www.ecomare.nl |
|
|
 |
Glasaal is liever lui dan moe |
| Na zijn geboorte in of nabij de Sargassozee,
een paar honderd mijl van Bermuda, lift de Europese aal de eerste
twee jaar van zijn leven mee met de golfstroom. Na zo’n vijfduizend
kilometer bereikt hij onze kustwateren als glasaal. Sluiscomplexen
vormen daar een probleem voor zijn intrek in onze zoete wateren.
Daarom legt men in Nederland vistrappen en aalgoten aan, in de verwachting
dat de vis tegen een zoetwaterlokstroom in zal zwemmen. Maar wil
de glasaal dat wel? Hij bereikte onze kusten door met de golfstroom
mee te zwemmen. En ook de trek landinwaarts gaat normaal gesproken
met de getijstroom mee. Het Ministerie van LNV nam de proef op de
som. In het voorjaar van 2005 werden daarom de aalgoot en de hevel
met elkaar vergeleken, twee methoden om de glasaal bij fysieke hindernissen
ons land in te laten trekken. Bij hoog water was de intrek via de
hevel bijna tien keer zo groot als via de goot. Met de stroom meezwemmen
blijkt dus populairder. De hevel ‘ving’ bovendien grote
hoeveelheden stekelbaarzen, Steurgarnaal, Aasgarnaal, Vlokreeft
en Chinese wolhandkrab. Ook andere waterdieren gebruikten de hevel,
zoals Grote zeenaald, Pos, Spiering, Baars, Grondel, Bot en Blankvoorn.
Dat is gunstig voor de landinwaartse verspreiding van waterdieren
en voor de voedselvoorziening stroomopwaarts (bijvoorbeeld de stekelbaars
voor lepelaars). Van de goot maakten alleen stekelbaarzen gebruik.
De glasaal is dus liever lui dan moe. Kleine openingen in sluisdeuren
of hevelconstructies verbeteren de intrek van glasaal flink. Bij
hoogwater zwemt de aal mee met de stroom. Grote openingen lijken
niet nodig. En dat is gunstig in situaties waar zoutbezwaren een
rol spelen. |